Positieve en negatieve uitspraak centraal tuchtcollege ------------------------------------------------------ door Ynske Jansen Psychiater Koerselman is uiterst bevooroordeeld tegenover mensen met ziektes als ME/CVS, fibromyalgie, bekkeninstabiliteit, OPS (organisch psychosyndroom, veroorzaakt door blootstelling aan oplosmiddelen) en RSI (Repetitive Strain Injury, vaak misleidend 'muisarm' genoemd). Hij uit zijn vooroordelen graag in de media en laat ze ook doorklinken in de onderzoeksrapportages die hij regelmatig op verzoek van rechtbanken, verzekeringsmaatschappijen en uitvoeringsinstellingen voor sociale verzekeringen maakt (zie Medium '98-2, '99-1 en '99-2). Tegen psychiater Koerselman, inmiddels hoogleraar psychotherapie, is een aantal klachten ingediend, onder andere bij het Regionaal Medisch Tuchtcollege Amsterdam. De klachten kwamen van ME-patienten die zich aan een onderzoek van Koerselman hebben moeten onderwerpen en daardoor zowel persoonlijk gekwetst zijn als geschaad in hun belangen. Volgens Koerselman is ME/CVS geen ziekte, maar gaat het om mensen met uiteenlopende psychiatrische stoornissen. Achter de schermen hebben deze klachten tegen Koerselman wel enige invloed gehad maar tot nu toe is geen van de klagers officieel in het gelijk gesteld. A is één van de gedupeerden. Hij heeft ernstige ME-klachten. In eerste instantie is de diagnose ME/CVS gesteld. Later bleek dat zijn klachten veroorzaakt zouden kunnen zijn door een laat ontdekte suikerziekte en de gevolgen daarvan. Door zijn ziekte heeft hij zijn werk op een accountantskantoor op moeten geven. Na het eerste ziektejaar kreeg hij twee jaar een WAO-uitkering. Toen werd hij door het GAK weer arbeidsgeschikt verklaard, omdat het volgens de verzekeringsarts 'lang genoeg geduurd had'. Maar hij was nog steeds niet staat om te werken. Hij ging in beroep en de Arrondissementsrechtbank Utrecht stelde hem in het gelijk. Het GAK ging echter in hoger beroep. De Centrale Raad van Beroep benoemde psychiater Koerselman als deskundige. Koerselman stelde een 'schizoïde persoonlijkheidsstoornis' als diagnose. Deze stoornis zou A niet ongeschikt voor zijn werk maken. Koerselman stelde dat de klachten niet reëel waren, maar voorgewend en suggereerde sterk dat geldelijk gewin hierbij het motief was. Dit oordeel was doorslaggevend voor de Centrale Raad van Beroep die concludeerde dat het GAK terecht de WAO-uitkering had ingetrokken. Regionaal Tuchtcollege Het rapport van Koerselman waar de CRvB zijn uitspraak op baseerde deed de waarheid zo'n geweld aan dat A zich hier niet bij neer kon leggen. Hij ervaarde het als diep grievend en hoogst onrechtvaardig en diende een klacht in bij het Regionaal Medisch Tuchtcollege Amsterdam. Hierbij werd hij geholpen door het Informatie- en Klachtenbureau Gezondheidszorg Signaal. Zijn klacht kwam erop neer dat Koerselman zijn benoeming als deskundige niet had mogen aanvaarden vanwege zijn vooroordelen ten aanzien van de diagnose ME/CVS. Bovendien had hij een onjuiste diagnose gesteld en verzuimd informatie op te vragen van de behandelend internist. Het Regionaal Tuchtcollege stelde A op 26 oktober 1999 in het ongelijk. Een zitting vond niet plaats. Omdat Koerselman door de CRvB tot deskundige was benoemd zou het Tuchtcollege slechts marginaal hoeven te toetsen. Het Tuchtcollege heeft daarom uitsluitend de interne consistentie van Koerselmans rapport onderzocht en niet of de daarin vermelde feiten op waarheid berusten. A gaat in hoger beroep bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. Ditmaal laat hij zich bijstaan door een advocaat, mevrouw mr. A.M. Vogelzang uit Amsterdam. Op 14 december 2000 vindt in het Paleis van Justitie in Den Haag de openbare zitting van het Centraal Tuchtcollege over deze zaak plaats. A is aanwezig met zijn advocate. Ook Koerselman heeft een advocate meegenomen. De Steungroep heeft twee vertegenwoordigers gestuurd als waarnemer en om A de nodige morele steun te bieden. Het is de eerste soortgelijke zaak voor het Centraal Tuchtcollege die bij de Steungroep bekend is. Verder zijn nog ongeveer veertig belangstellenden aanwezig. De spanning wordt nog opgevoerd doordat de zitting 50 minuten te laat begint. Het tuchtcollege bestaat uit vijf personen: drie juristen en twee artsen. De voorzitter is Mr. J.J.R. Bakker. De artsen zijn prof. dr. P.P.G. Hodiamont, psychiater en dr. C. Hermann, tevens tweede kamerlid voor Groen Links. Mr. Vogelzang houdt een indrukwekkend betoog. Zij stelt dat het spijtig is dat het Regionaal College Amsterdam het deskundigenrapport van Koerselman niet expliciet heeft getoetst aan de criteria waaraan deskundigenrapporten volgens de tuchtrechtelijke jurisprudentie moeten voldoen. Zij vat deze criteria als volgt samen: [cursief aan]"Het rapport van verweerder moet getuigen van voldoende en op juiste wijze verricht onderzoek met als resultaat feiten, omstandigheden en bevindingen die de gronden ondersteunen, terwijl die gronden op hun beurt weer de conclusie moeten ondersteunen en rechtvaardigen. Daarbij gelden als bijkomende voorwaarden dat het rapport objectief moeten zijn en dat de deskundige zich moet beperken tot het eigen deskundigheidsterrein."[cursief uit]. Rapport voldoet niet aan criteria Mr. Vogelzang stelt dat het rapport van Koerselman hieraan niet voldoet. Ten eerste baseert hij zijn conclusies op aannames die aantoonbaar in strijd zijn met de feiten. Koerselman is er ten onrechte vanuit gegaan dat de diabetes mellitus (suikerziekte) goed gereguleerd was en dat er geen neurologische afwijkingen waren. Dit omdat hij geen schriftelijke informatie heeft opgevraagd van de behandelend internist. Ook heeft hij zich, in strijd met de voorschriften van de artsenorganisatie KNMG, niet schriftelijk door de huisarts laten informeren maar slechts telefonisch. Bovendien heeft hij een schriftelijke weergave van dit telefoongesprek niet ter bevestiging aan de huisarts voorgelegd. Verder heeft hij geen kennisgenomen van de inhoud van een brief van een geconsulteerd neuroloog. Daardoor is hem ontgaan dat deze neuroloog polineuropathie (gevoelsstoornissen aan de voeten) heeft geconstateerd. Uit zijn telefoongesprek met de huisarts heeft hij dus ten onrechte de conclusie getrokken, dat er geen sprake is van een lichamelijke stoornis. Ten tweede veegt Koerselman de diagnose die is gesteld door een deskundige van de arrondissementsrechtbank Utrecht zonder enige motivatie van tafel en doet hij, in strijd met het oordeel van deze deskundige, de klachten en beperkingen van A af als 'vaag en uiterst aspecifiek'. De deskundige, zenuwarts Pruyt was tot de conclusie gekomen dat A volledig arbeidsongeschikt is. Dit oordeel werd gedeeld door behandelend neuroloog Koetsier. Volgens mr. Vogelzang had Koerselman de door andere deskundigen gestelde diagnoses niet mogen verwerpen zonder daarvoor goede gronden aan te voeren. Mr. Vogelzang voert ten derde aan dat Koerselman eerst zijn diagnose stelt (schizoïde persoonlijkheidsstoornis) en dan, in strijd met de feiten, de gezondheidstoestand en het leven van A zodanig interpreteert, dat dit binnen die diagnose past. Als voorbeeld voert zij aan dat A volgens Koerselman sociale contacten uit de weg zou gaan, terwijl hij in werkelijkheid via werk, studie, kerkelijke activiteit en familie en vrienden wel degelijk goede sociale contacten onderhield. Uitgaande van de feiten voldoet A slechts aan één van de zeven criteria voor de door Koerselman gestelde diagnose, die dan ook niet onderbouwd kan worden. Ten vierde wijst mr. Vogelzang op een aantal belangrijke tegenstrijdigheden in Koerselmans rapport. Deze leiden er zelfs toe dat Koerselman, in strijd met andere onderdelen van zijn rapport en in strijd met de feiten, suggereert dat A zou simuleren en alleen op geldelijk gewin uit zou zijn. Ten vijfde stelt mr. Vogelzang, dat Koerselman zijn conceptrapport eerst met A had moeten bespreken, dit op grond van eerdere jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege. Tot slot stelt zij voor om de tuchtrechtelijke jurisprudentie op een belangrijk punt uit te breiden. Zij verwijst naar een uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem naar aanleiding van een geschil tussen een Whiplash-patiënt en een verzekeringsmaatschappij: [cursief aan]"De te benoemen deskundige dient een persoon te zijn van wie mag worden verwacht dat hij een onafhankelijk en onpartijdig oordeel kan geven, die zelfs niet de schijn van partijdigheid heeft en tegen wiens benoeming tot deskundige geen van partijen in redelijkheid bezwaar kan hebben."[cursief uit] Zij stelt voor om dit neutraliteitsvereiste als criterium te hanteren. Koerselman heeft zich in de publiciteit herhaaldelijk in negatieve zin over de diagnose ME/CVS uitgelaten en voldoet daarom niet aan dit vereiste. Tot zover het betoog van Mr. Vogelzang. Kritische vragen Tuchtcollege De advocate van Koerselman, mevrouw mr. Van der Windt, bleek zich niet op een inhoudelijke behandeling te hebben voorbereid. Het enige wat zij te melden had was dat Koerselman niets te verwijten valt. Voor vragen verwees zij naar hemzelf. Vervolgens stelde de voorzitter van het Tuchtcollege een aantal kritische vragen: Hoe kon Koerselman tot de conclusie komen dat de vermoeidheidsklachten niet significant waren, terwijl uit zijn anamnese blijkt dat die het leven van betrokken sterk bepalen? Hoe heeft Koerselman een conclusie kunnen trekken uit de gebrekkige informatie die hij had over de suikerziekte van betrokkene? Is Koerselman van mening dat betrokkene simuleerde? Op grond van welke kenmerken is Koerselman tot de diagnose schizoïde persoonlijkheidsstoornis gekomen? Koerselman probeerde door veel omhaal van woorden ontwijkend te antwoorden, maar dat stond de voorzitter niet toe. De antwoorden bleven onbevredigend. Teleurstellende uitspraak De uitspraak heeft lang op zich laten wachten, meer dan 3 maanden. En die is heel teleurstellend, niet alleen voor A maar voor iedereen die belang heeft bij zorgvuldige en onbevooroordeelde medische rapporten. In zijn uitspraak (29 maart 2001, 00/041) concludeert het College: "Gelet op de aan de arts gestelde vragen en de toegezonden gedingstukken heeft naar het oordeel van het College de arts op de juiste wijze onderzoek verricht naar de feiten en omstandigheden en vervolgens in zijn rapport op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusie van het rapport steunt." In de uitspraak wordt nauwelijks op de door advocate Vogelzang aangevoerde argumenten ingegaan net zo min als op de kritische vragen die het College zelf tijdens de zitting stelde. Wel merkt het College nog het volgende op: "Daarbij heeft de arts voldoende onderkend, dat de aandoening ME omstreden of wellicht in medisch opzicht moeilijk te objectiveren is. Aan de vraag of klager lijdt aan de aandoening ME of CVS komt de arts niet toe nu hem uit het gesprek met klager is gebleken, dat deze inmiddels niet meer lijdt aan bepaalde klachten die verband zouden kunnen houden met die aandoeningen." Dit is wel zeer merkwaardig, gezien wat tijdens de zitting door het College zelf is aangevoerd, namelijk dat uit de anamnese blijkt dat het leven van A -nog steeds- sterk wordt bepaald door vermoeidheidsklachten! Vraagstelling Centrale Raad van Beroep moet anders Het enige lichtpuntje in deze uitspraak is misschien dat het College stelt dat de vraagstelling van de Centrale Raad van Beroep aan Koerselman de leidraad vormt voor de beoordeling van diens onderzoek en rapportage. Deze vragen vormen "immers het kader . waarbinnen de arts moet werken", aldus het College. In theorie had een andere vraagstelling tot een andere beoordeling kunnen leiden. Tot nu toe zetten de rechtbanken en de CRvB hun deskundigen vaak al via de vraagstelling van het onderzoek op het verkeerde been. Vaak neemt de vraag of er lichamelijk afwijkingen zijn gevonden die de gezondheidsklachten zouden kunnen verklaren daarin een prominente plaats in. Maar daar zou verandering in kunnen komen. Op 19 december 2000 hield mr. T.L. de Vries, raadsheer bij de CRvB, een inleiding op een bijeenkomst van het Kennisnet sociale zekerheid. Daar legde ik hem de vraag voor of het Schattingsbesluit Arbeidsongeschiktheidswetten er niet toe zou moeten leiden dat de CRvB de vraagstellingen voor medisch deskundigenonderzoek anders gaat formuleren en dat de CRvB eisen gaat stellen aan het onderzoek van medisch deskundigen, conform de eisen die in het Schattingsbesluit gesteld worden aan het onderzoek van verzekeringsgeneeskundigen. Het antwoord was dat hier nog geen werk van was gemaakt, maar dat dit probleem wel was gesignaleerd. Wanneer de CRvB hier werkelijk serieus mee bezig zou gaan, zou dat naar mijn mening moeten betekenen dat de samenwerking met een aantal vaste deskundigen zou moeten worden beëindigd. Er zou immers op een fundamenteel andere wijze dan tot nu toe onderzoek verricht moeten worden. Uitspraak over klacht tegen Duinkerke positief Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg heeft op dezelfde datum nog een uitspraak gedaan over een klacht van een ME-patiënte tegen een psychiater, in dit geval psychiater Duinkerke te Eindhoven (29 maart 2001, 99/272). In tegenstelling tot A was zij eerder door het Regionaal Tuchtcollege Eindhoven in het gelijk gesteld. Duinkerke is tegen de uitspraak en de waarschuwing die hij als maatregel kreeg opgelegd in beroep gegaan. (zie Medium '99-4 en 2000-2). Het Centraal Tuchtcollege neemt op belangrijke punten het oordeel van het Regionaal College over: "De arts heeft geen psychiatrische grond gevonden waarom klaagster geen arbeid zou kunnen verrichten. Hij heeft somatische afwijkingen niet uitgesloten. Het zou daarom juist geweest zijn indien hij zich wat betreft de belastbaarheid van klaagster wegens somatisch lijden terughoudender had uitgedrukt, omdat hij de door hem aangenomen arbeidsgeschiktheid van klaagster niet kan onderbouwen vanuit de psychiatrische diagnose." De maatregel van waarschuwing blijft gehandhaafd. Daardoor staat betrokkene een stuk sterker in de onderhandelingen met haar verzekeringsmaatschappij over een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Het verschil tussen beide oordelen is opvallend. Het is onbekend wat zich binnenskamers bij het Centraal Tuchtcollege heeft afgespeeld. Zou het waar zijn dat dit College in principe het oordeel van de regionale tuchtcolleges volgt? Of zou statusverschil een rol spelen? Psychiater Duinkerke is geen hoogleraar en geen prominente mediagast zoals Koerselman. Zou het College Koerselman niet hebben willen of durven aanpakken? Of heeft Koerselman zijn vooroordelen in zijn rapportage gewoon slimmer gecamoufleerd dan Duinkerke? Verwijzingen: Medisch Contact, 5 december 1997, p. 1547 en 1548 Medisch Contact, 16 juli 1999, p. 1015 t/m 1017 Medisch Contact, 14 april 2000, p. 554 t/m 557 Beschikking Gerechtshof Arnhem, 17 maart 1998 (gepubliceerd in Verkeersrecht onder nummer 123) 'Wat kun je doen tegen een ongunstig medisch rapport?', Medium '99-4, p. 48-50 'Informatiebundel Koerselman' (zie het overzicht van Steungroepuitgaven elders op onze website)