Reactie Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid op het rapport van de commissie Donner 'Werk maken van arbeidsongeschiktheid' -------------------------------------------------------------------- De plannen van de commissie Donner zullen, wanneer ze uitgevoerd worden, grote gevolgen hebben. Vele arbeidsongeschikten zullen hierdoor gedupeerd worden. Arbeidsongeschikten met ziektes en gezondheidsklachten die als 'moeilijk objectiveerbaar' beschouwd worden hebben zeer veel te vrezen. Dit geldt ook voor de groep mensen waar de Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid voor opkomt: mensen die lijden aan de ziekte ME/CVS (CVS: chronische vermoeidheidsyndroom, ook vaak aangeduid met de oudere naam ME). In Nederland lijden naar schatting 30.000 mensen aan deze ziekte. ME/CVS is een chronische, invaliderende ziekte die gepaard gaat met ernstige uitputting en een variërend aantal andere klachten. De ziekte treft ook kinderen. ME/CVS is voor de patiënten vaak levensontwrichtend. Ook hun naasten ondervinden veel negatieve gevolgen. De oorzaak van de ziekte is nog niet bekend. Een klein deel van de patiënten herstelt of verbetert, de meeste in de eerste ziektejaren. Bij jongeren is de kans op verbetering groter. Waardoor herstel teweeg gebracht wordt is onbekend. Er is (nog) geen algemeen aanvaarde behandeling bekend die leidt tot genezing. Een groot deel van de patiënten is jarenlang ziek, zonder concreet uitzicht op verbetering. Het overgrote deel van de ME-patiënten kan als gevolg van de ziekte niet (meer) werken of heeft daarbij grote beperkingen. De Steungroep heeft de plannen van de commissie Donner vanuit het perspectief van deze groep beoordeeld. Onderstaande reactie richt zich niet op het geheel aan voorstellen van de commissie. De Steungroep beperkt zich in haar kritiek tot enkele kernpunten die van belang zijn voor haar werkterrein en waarop zij meent iets toe te kunnen voegen aan de commentaren en kritieken van anderen. De voorstellen roepen meer kritiek op, maar de Steungroep laat het graag aan anderen over om die te verwoorden. Het belangrijkste kritiekpunt van de Steungroep betreft de visie van de commissie Donner op het medisch arbeidsongeschiktheidscriterium. Op dat complexe onderwerp wordt uitgebreid ingegaan in paragraaf 1. In paragraaf 2 tot en met 5 zijn de overige kritiekpunten weergegeven. Deze betreffen de slechte positie van gedeeltelijk arbeidsongeschikten, het gebrek aan visie bij de commissie op de beperkingen van arbeidsongeschikten en de noodzaak en mogelijkheden tot aanpassing van werk, de conflictstof in de verhouding werknemer-werkgever en de knelpunten in de eerste ziektejaren. Tot slot wordt in paragraaf 6 kort uiteengezet welk alternatief de Steungroep voor ogen staat. Als bijlage is een korte samenvatting van de voorstellen van de commissie Donner bijgevoegd. 1. Het medisch arbeidsongeschiktheidscriterium: de klok teruggezet Het belangrijkste kritiekpunt van de Steungroep is dat de commissie Donner de ontwikkeling die geleid heeft tot een nadere uitleg van het huidige wettelijke medisch arbeidsongeschiktheidscriterium volledig negeert. Deze uitleg is vastgelegd in de 'Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium' van september 1996 en in het 'Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten' van juli 2000. Hierin zijn regels voor de medische beoordeling van arbeidsongeschiktheid vastgelegd. In die regels worden heel bewust de gevolgen van ziekte voor de mogelijkheden om te functioneren centraal gesteld in plaats van de aantoonbaarheid van de ziekte-oorzaak en van lichamelijke afwijkingen. De aanleiding hiervoor was dat mensen met 'moeilijk objectiveerbare' ziektes (bijvoorbeeld ME/CVS, fibromyalgie, organische psychosyndroom, psychische aandoeningen) en 'moeilijk objectiveerbare' gezondheidsklachten (bijvoorbeeld vermoeidheid, pijn), die wel degelijk als gevolg van ziekte niet of beperkt konden werken, werden uitgesloten van een WAO-uitkering. Toen de aard van dit probleem uiteindelijk tot de politiek doordrong vonden alle partijen deze uitsluiting onacceptabel. De bovengenoemde regels waren het uiteindelijke resultaat. Uitsluiting van arbeidsongeschikten De ontwikkeling die hierboven is geschetst is de commissie Donner niet geheel ontgaan, in zoverre dat de commissie afkeurend constateert dat tegenwoordig 'ook subjectieve klachten als ziekte worden geïnterpreteerd'. De commissie lijkt de politiek te verwijten dat het begrip 'ziekte' is verbreed tot allerlei groepen waarvoor de collectieve arbeidsongeschiktheidsverzekering niet bedoeld zou zijn. Waar het echt om gaat lijkt de commissie echter absoluut niet begrepen te hebben. Klachten zijn namelijk per definitie subjectief. Ze vormen de persoonlijke uitingsvorm van ziekte: de wijze waarop iemand zijn ziekte ervaart en de manier waarop hij deze ervaring uit. Er bestaan dus geen objectieve klachten, zoals de commissie suggereert. Wel is het soms mogelijk om door medisch onderzoek een waarneembare verklaring voor die klachten te vinden. Iemands klacht dat zijn been pijn doet en dat hij er niet op kan lopen wordt als verklaard beschouwd wanneer op een röntenfoto zichtbaar is dat er een bot gebroken is. Maar het vinden van een verklaring voor de klachten is lang niet altijd zo simpel. Bij bepaalde ziektes en bepaalde klachten, zoals bijvoorbeeld ME/CVS of chronische moeheid na kanker lukt dat vaak helemaal niet. Maar dat betekent absoluut niet dat de ziekte of de klachten minder ernstig zijn. De medische wetenschap is nu eenmaal niet alwetend en de huidige medische technieken kunnen lang niet alles zichtbaar maken. De commissie suggereert dat er bij dergelijke klachten maar twee keuzemogelijkheden zijn: óf degenen die de klachten uiten zonder meer op hun woord geloven óf mensen met dergelijke klachten per definitie uitsluiten van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. De commissie stelt dat op dit moment het eerste gebeurt en dat daardoor velen onterecht een WAO-uitkering krijgen en wil daarom overgaan tot het laatste. Daarbij heeft de commissie geen oog voor een belangrijke ontwikkeling in de verzekeringsgeneeskunde, die zelfs tot de Hoge Raad is doorgedrongen. In een recent arrest (8 juni 2001, nr. C99/271HR) doet de Hoge Raad namelijk een uitspraak over het post-whiplash-syndroom. Volgens de Hoge Raad is algemeen bekend dat dit syndroom moeilijk tot waarneembare medische stoornissen valt te herleiden. Maar dat mag geen reden zijn voor een verzekeringsmaatschappij om een buschauffeur die gedeeltelijk arbeidsongeschikt is geworden als gevolg van een whiplash geen schadevergoeding te betalen. De klachten die uit dit syndroom voortvloeien kunnen wel degelijk geobjectiveerd worden. Deze klachten zijn volgens de Hoge Raad 'weliswaar subjectief van aard, maar er kan niettemin objectief van vastgesteld worden dat zij aanwezig, reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven zijn'. Zo'n objectieve beoordeling van de klachten die tot arbeidsongeschiktheid leiden is precies de bedoeling van de 'Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium' en het 'Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten'. Verzekeringsartsen moeten klachten als onverklaarde moeheid en pijn niet negeren, maar juist goed onderzoeken om te beoordelen of de klachten reëel en niet overdreven zijn en vast te stellen tot welke beperkingen van de belastbaarheid zij leiden. De Hoge Raad, die zich bezig houdt met commerciële en niet met sociale verzekeringen, volgt in bovengenoemde uitspraak de weg die is ingezet door de Centrale Raad van Beroep, de hoogste rechter in sociale verzekeringszaken. De Centrale Raad van Beroep heeft inmiddels in verschillende uitspraken duidelijk gesteld dat een verzekeringsarts alle klachten en beperkingen van de verzekerde die een beroep doet op de WAO, conform de Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium, moet onderzoeken en beoordelen, ook wanneer er daarvoor geen lichamelijke oorzaak bekend is (bijvoorbeeld 97/6044 ZW, 12-12-2000). Door een dergelijke benadering kan voorkomen worden dat mensen die arbeidsongeschikt zijn worden uitgesloten van het recht op een uitkering, alleen omdat de medische kennis niet ver genoeg is gevorderd. Uitvoering van de plannen van de commissie Donner zal echter opnieuw leiden tot uitsluiting van arbeidsongeschikten van een arbeidsongeschiktheidsuitkering. De commissie wil een nieuw medisch arbeidsongeschiktheidscriterium introduceren om 'echte' en 'onechte' arbeidsongeschikten te scheiden. Dit nieuwe criterium zou er toe moeten leiden dat alleen degenen waarvan op het moment van de keuring vaststaat dat zij geen enkel vermogen meer hebben om te werken en dat dit de rest van hun leven niet zal veranderen als arbeidsongeschikt worden aangemerkt en in aanmerking komen voor een WAO-uitkering. Er moet sprake zijn van 'onvermijdelijke, duurzame en volledige arbeidsongeschiktheid' en van een 'aanzienlijke vermindering van de mogelijkheden om maatschappelijk te functioneren'. Bovendien moet de arbeidsongeschiktheid veroorzaakt zijn door 'ernstige ziekten of gebreken'. Aan de hand van dit criterium moet arbeidsongeschiktheid volgens de commissie uitsluitend medisch beoordeeld worden. De arbeidskundige beoordeling zou afgeschaft moeten worden. Dit criterium van de commissie is uiterst dubieus. Met de huidige stand van de medische wetenschap kan lang niet altijd vastgesteld worden of bepaalde ziektes of beperkingen 'onomkeerbaar', 'duurzaam' of 'onvermijdelijk' zijn. 'Ernstig' en 'aanzienlijk' zijn zeer subjectieve begrippen die voor verschillende uitleg vatbaar zijn. Bovendien kan arbeidsongeschiktheid nooit een strikt medische aangelegenheid zijn. Of iemand met bepaalde beperkingen arbeidsongeschikt is hangt ook af van de eisen die aan werknemers gesteld worden. Deze eisen zijn afhankelijk van technische en economische ontwikkelingen en steeds aan verandering onderhevig. Ernstige ziekten en gebreken Een arts beschouwt vaak iets als ernstig wanneer het er op een foto of een laboratoriumuitslag ernstig afwijkend uitziet. Voor een werknemer of patiënt is iets ernstig wanneer het leidt tot ernstige klachten (bijvoorbeeld pijn, moeheid, misselijkheid, angst, somberheid) en/of zijn functioneren in privéleven en werk ernstig beperkt. Wat bedoelt de commissie Donner met 'ernstige ziekten en gebreken'? Echt duidelijk wordt dit niet. Wel is duidelijk dat de commissie een reeks van ziekten als niet-ernstig beschouwt. Volgens de commissie zijn veel ziekten, met name allerlei psychische stoornissen, goed behandelbaar, waardoor de beperkingen kunnen verdwijnen of verminderen. Maar psychiatrie en psychologie zijn niet almachtig. Hoe moet het met die mensen waarbij de voorhanden therapieën niet werken? De meeste veelvoorkomende psychische en lichamelijke aandoeningen zijn volgens de commissie goed te verenigen met een redelijk normaal alledaags leven. Daarbij worden, zonder enige bronvermelding of bewijsvoering, allerlei voorbeelden genoemd, waaronder 'pijn- en vermoeidheidssyndromen'. Waar haalt de commissie deze 'wijsheid' vandaan? ME/CVS staat bekend als een vermoeidheidssyndroom. Volgens de commissie zou deze ziekte te verenigen zijn met een 'redelijk normaal alledaags leven'. De ervaring van het overgrote deel van de patiënten leert helaas anders. Ook is er een schat aan literatuur waaruit het tegendeel blijkt van wat de commissie beweert. In medisch-wetenschappelijke literatuur over CVS wordt deze ziekte gekarakteriseerd met termen als 'een aanzienlijke aantasting van de kwaliteit van het leven' en 'ernstige beperkingen in het dagelijks functioneren'. Volgens de diagnosecriteria voor CVS kan deze diagnose alleen gesteld worden wanneer de chronische vermoeidheid leidt tot een 'aanzienlijke vermindering van het vroegere activiteitenniveau op het gebied van werk, studie, sociale of persoonlijke activiteiten'. Zie: - K. Fukuda et al, The Chronic Fatigue Syndrome; A comprehensive approach to its definition and study. Annals of Internal Medicine, 1994, 121, 953-959. - J.W.M. van der Meer e.a., Aanwijzingen voor het beleid bij langdurige, lichamelijk onverklaarde moeheidsklachten. In: Ned Tijdschr Geneesk 1997, p. 1516-1519 - Zie ook de rapporten van de Britse 'National Task Force on CFS/ME'' van 1994 en 1998 Volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid Hoe kan volgens de commissie beoordeeld worden of er sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid? De commissie wekt de indruk dat standaardprognoses en lijsten met beperkingen per ziekte daarbij houvast kunnen bieden. Voor ME/CVS bestaat een dergelijke lijst niet, voorzover ons bekend. Misschien voor andere aandoeningen wel, maar het is niet voor niets dat dergelijke gegevens tot nu toe geen rol spelen bij WAO-keuringen. Het lijkt ook niet erg zinvol om te investeren in het ontwikkelen van dergelijke lijsten. Ten eerste kunnen de prognose en de beperkingen van een bepaalde ziekte in relatief korte tijd sterk veranderen, bijvoorbeeld als gevolg van medische ontwikkelingen. De ziekte AIDS is hiervan een goed voorbeeld. Ten tweede zal een beoordeling die gebaseerd is op statistieken in plaats van op het reële ziekteverloop en de reële beperkingen van het individu vaak de plank misslaan. Ten derde bestaat het risico dat iemand met een ziekte die niet op een dergelijke lijst staat zal worden uitgesloten van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, ongeacht de ernst van zijn arbeidsbeperkingen. Kortom, de commissie introduceert een schijnobjectiviteit en schijnduidelijkheid. Het risico dat daardoor mensen die echt ziek en arbeidsongeschikt zijn zullen worden buitengesloten van een arbeidsongeschiktheidsuitkering is zeer groot. De Steungroep vindt dit onaanvaardbaar. 2. Geen arbeidsongeschiktheidsuitkering bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid: een ramp De Steungroep is positief over het feit dat de commissie het WAO-gat wil afschaffen. Dit WAO-gat leidt nu tot erg lage uitkeringen voor die arbeidsongeschikten die niet zijn bijverzekerd. Daarvoor is geen enkele rechtvaardiging te geven. Ook een verhoging van het maximale uitkeringspercentage juichen wij toe. De Steungroep is fel tegen de afschaffing van de arbeidsongeschiktheidsuitkering bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid en heeft daarvoor de volgende argumenten. Ten eerste kunnen ook mensen die gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn daardoor aanzienlijke inkomensschade lijden. Zij kunnen door die gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid hun baan verliezen en, zeker wanneer de werkloosheid weer toe gaat nemen, misschien ook geen nieuwe baan meer vinden. Als zij wel aangepast werk vinden leidt dat meestal tot een lager inkomen. In de praktijk is een kortere werkweek en een kortere werkdag (urenvermindering) vaak een aanpassing die het mogelijk maakt dat gedeeltelijk arbeidsongeschikten aan het werk blijven of weer aan het werk gaan. In de meeste gevallen gaat het dan om een urenvermindering, en dus een inkomensdaling, van (veel) meer dan 30%. Deze inkomensschade kunnen zij zelf, zolang hun arbeidshandicap blijft voortbestaan, op geen enkele wijze compenseren of teniet doen. De Steungroep is van mening dat ook deze groep recht moet hebben op sociale zekerheid in de vorm van een arbeidsongeschiktheidsuitkering die gebaseerd is op het laatst verdiende inkomen. Ten tweede zal de scheidslijn geheel arbeidsongeschikt-gedeeltelijk arbeidsongeschikt altijd aan willekeur onderhevig zijn. Willekeur is verwerpelijker naarmate er meer van afhangt. En in dit geval hangt er heel veel van af, namelijk het verschil tussen een verzekerd inkomen of het perspectief op bijstand (of volledige inkomensafhankelijkheid van een partner). De commissie maakt niet duidelijk hoe de scheidslijn volledig arbeidsongeschikt/niet arbeidsongeschikt bepaald kan worden. Zij spreekt van volledige arbeidsongeschiktheid (volgens de huidige systematiek is dit een arbeidsongeschiktheid van 80-100%), van 'aanzienlijk vermindering van de mogelijkheden om maatschappelijk te functioneren' en verwijst naar een suggestie van de vroegere commissie Buurmeijer om de grens te leggen bij verlies van tweederde van de arbeidscapaciteit. Hoe het ook zij, er zal kwantificering nodig zijn om de grens te trekken, waarbij mensen met aanzienlijke beperkingen buiten de boot zullen vallen. En, omdat de commissie het arbeidskundig arbeidsongeschiktheidscriterium volledig wil loslaten zal die kwantificering medisch moeten plaatsvinden. Verzekeringsartsen worden zo opgezadeld met iets wat helemaal niet van ze gevraagd kan worden. Het vaststellen van beperkingen en belastbaarheid is hun vak (en dat is al moeilijk genoeg), maar hoe kan een arts bepalen of iemand met bepaalde beperkingen wel of niet voor tweederde, voor 80% of voor 100% zijn arbeidscapaciteit kwijt is? In sommige reacties wordt het treffen van een aparte inkomensvoorziening voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten als oplossing aangedragen. Volgens de Steungroep is dit geen oplossing omdat dan dezelfde willekeurige scheidslijn getrokken moeten worden. Ten derde dreigt door dit kunstmatig onderscheid de groep volledig arbeidsongeschikten verstoken te blijven van iedere aanspraak op en hulp bij reïntegratie. Dit terwijl in de praktijk blijkt dat een deel van deze groep of vanaf het begin of na een aantal jaren mogelijkheden ziet om aangepast werk te doen en gemotiveerd is om te reïntegreren. Het loslaten van het arbeidskundige arbeidsongeschiktheidscriterium leidt overigens ook tot het uithollen van het verzekeringskarakter van de WAO. Dat is nu immers een verzekering tegen inkomensverlies. En hoe hoger het inkomen is, hoe hoger de inkomensschade. Daar zijn al grenzen aan gesteld door het maximum dagloon. Binnen de huidige verhoudingen is een rechtvaardiger systeem moeilijk te bedenken. Op grond van bovenstaande argumenten is de Steungroep van mening dat gedeeltelijk arbeidsongeschikten in aanmerking moeten blijven komen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Daartoe zal een systeem met verschillende arbeidsongeschiktheidsklassen en daarbij behoren uitkeringspercentages gehandhaafd moet blijven. 3. Werken, beperkingen en aangepast werk Het is op zich positief dat de commissie streeft naar het realiseren van passend werk voor werknemers met een arbeidshandicap. Maar het blijft een ijdel streven, omdat de plannen op dit punt niet getuigen van veel realiteitszin. De commissie heeft geen oog voor de hoge eisen op het gebied van productiviteit, inzetbaarheid en flexibiliteit die tegenwoordig in Nederland aan het functioneren van werknemers gesteld worden. 'Arbeid is topsport' is niet voor niets een bekend gezegde geworden. Deze hoge eisen kunnen leiden tot overbelasting en zo een factor vormen bij het ontstaan of verergeren van arbeidsongeschiktheid. De hoge eisen aan werknemers belemmeren zeker reïntegratie van diegenen die niet (meer) aan deze eisen kunnen voldoen. Voor de commissie is dit helaas een blinde vlek gebleven. Daarnaast heerst bij de commissie het irreële idee dat mensen die ziek zijn vrijwel altijd nog wel goed kunnen functioneren in een arbeidssituatie. Ook hier weer is sprake van een blinde vlek. In werkelijkheid kunnen mensen met een chronische ziekte of psychische aandoening aanzienlijke beperkingen hebben. Het lijkt wel alsof de commissie zich niet verdiept heeft in deze kant van de zaak. In het verlengde daarvan ligt het feit dat de commissie geen enkele uitwerking geeft van wat 'passend werk' in moet houden. Er blijven veel vragen open: - moet aan de bedrijfseconomische en organisatorische criteria met betrekking tot inzetbaarheid, productiviteit en flexibiliteit en concurrentiepositie worden voldaan of niet? Zo ja, dan zullen de mogelijkheden voor aangepast werk beperkt zijn. Zo nee, hoe kunnen werkgevers dan gedwongen worden om tegen hun economische belangen in te gaan? - wordt urenbeperking, wat in de praktijk vaak de aanpassing is waaraan een werknemer met een arbeidshandicap het meeste heeft, als goede aanpassing gezien? Dan komt het loon vrijwel altijd beneden 70% van het oude niveau. De gedeeltelijk arbeidsongeschikte lijdt dan een zeer groot inkomensverlies, dat hoogstens tijdelijk zal worden aangevuld door een gedeeltelijke WW-uitkering. - wat zijn de criteria voor passend werk? Wie bepaalt de belastbaarheid voor werk van de werknemer met een arbeidshandicap en hoe wordt dit bepaald? Wie beoordeelt of de aangeboden functie met die belastbaarheid overeenstemt en hoe wordt dit beoordeeld? Wie onderzoekt en beoordeelt of er in het bedrijf andere passende functies beschikbaar/ te creëren zijn? 4. De verhouding werknemer-werkgever bij reïntegratie, ontslag en andere sancties De Steungroep is van mening dat de commissie de verhouding werkgever-werknemer sterk onder druk zet en geen oog heeft voor de belangentegenstellingen en machtverschillen in deze relatie. Centraal in de plannen van de commissie Donner staat dat bij het ontstaan van arbeidsongeschiktheid werknemer en werkgever er samen uit moeten komen. In eendrachtige samenwerking moeten zij herstel van arbeidsgeschiktheid bevorderen en zo nodig zoeken naar aangepast werk. De voorgestelde maatregelen bevorderen het ontstaan van arbeidsconflicten. De werkgever moet volgens de commissie de werknemer bij ziekte aanzetten tot herstel en tot werkhervatting. Ook al is de verhouding tussen werkgever en werknemer altijd goed geweest, dan nog kan dit tot grote druk op de werknemer leiden, waardoor hij eerder zieker wordt dan dat zijn herstel wordt bevorderd. In de eerste twee ziektejaren is er al veel potentiële conflictstof. Er bestaat dan grote kans op arbeidsconflicten, bijvoorbeeld over wat voor werk passend is, of dat wel of niet beschikbaar is, over doorbetaling van het loon, over de hoogte van het loon bij een aangepaste functie en over ontslag. Die conflictstof is er vaak nu al, maar zal bij doorvoering van de plannen van de commissie zeker groter worden. De commissie stelt voor dat de WAO-aanvraag van een werknemer niet ontvankelijk wordt verklaard en dat er geen keuring plaatsvindt wanneer geoordeeld wordt dat werknemer en werkgever zich gezamenlijk niet voldoende hebben ingespannen voor herstel en reïntegratie. De Steungroep vreest dat dit bij diagnoses zoals ME/CVS, die door veel verzekeringsartsen onduidelijk worden geacht, vaak zal gebeuren. De werknemer wordt dan teruggestuurd en moet er maar samen met de werkgever uitkomen. De werkgever moet dan het loon blijven doorbetalen of een reden zoeken om de werknemer te ontslaan. Opnieuw een bron van arbeidsconflicten. De rechtsbescherming die de commissie de arbeidsongeschikte werknemer biedt, waaronder de ontslagbescherming is ver beneden de maat. Juist deze rechtsbescherming zou zeer sterk moeten zijn omdat de werknemer, en zeker de arbeidsongeschikte werknemer, een veel zwakkere positie heeft dan de werkgever. Voor de werknemer die arbeidsongeschikt is geworden en die daardoor dreigt zijn oude baan te verliezen staat veel meer op het spel dan voor de werkgever, namelijk: werk, inkomen, inkomenszekerheid, maatschappelijke positie, toekomstperspectief en verdere levensloop. Werkgevers hebben vaak weinig belang bij reïntegratie, dat lijkt de commissie niet te beseffen. Zij zullen daarvoor vaak hun normale bedrijfsvoering moeten doorbreken, wat op grote weerstand stuit. Dat is niet altijd onwil. Kleine bedrijven hebben soms geeen mogelijkheden om aangepast werk te creëren. Bovendien kunnen werkgevers nu, en zeker wanneer de plannen van de commissie Donner uitgevoerd zouden worden, in de praktijk heel gemakkelijk van hun arbeidsongeschikt geworden werknemer afkomen. De werkgever heeft, ook als het om reïntegratie gaat, veel meer macht dan de werknemer. De laatste is sterk afhankelijk van de werkgever. Ook voor dit verschil in (machts)positie tussen werkgevers en werknemers heeft de commissie geen oog. 5. De eerste ziektejaren De Steungroep beoordeelt het als positief dat de commissie een langere periode mogelijk wil maken voor de overgang van loondoorbetaling bij ziekte respectievelijk ziektewet naar WAO dan de huidige één jaar. Het eerste ziektejaar is namelijk, zeker bij ME/CVS, vaak te kort om: 1. duidelijkheid te krijgen over de diagnose (deze kan bij ME/CVS pas na een half jaar gesteld worden. In de praktijk duurt het vaak nog veel langer) 2. duidelijkheid te krijgen over de beperkingen en belastbaarheid 3. duidelijkheid te krijgen over welke belastbaarheid voor arbeid nog wel duurzaam haalbaar is 4. duidelijkheid te krijgen over de mogelijkheden voor aangepast werk bij de eigen werkgever. 5. het feit dat men chronisch ziek is geworden te verwerken en te leren zich aan te passen aan de nieuwe realiteit 6. zich goed te informeren over toekomstmogelijkheden en rechten en plichten op het gebied van werk en inkomen. Soms kan ook twee jaar nog te kort zijn. Het risico bestaat dat er onomkeerbare voortijdige beslissingen worden genomen, zoals bijvoorbeeld ontslag terwijl de optie van aangepast werk nooit goed is onderzocht. De Steungroep zou ervoor willen pleiten om het mogelijk te maken deze periode uit te breiden tot bijvoorbeeld drie jaar en ook de ontslagbescherming bij ziekte tot deze periode uit te breiden. 6. Maar wat dan? De Steungroep is van mening dat in principe iedereen die door gezondheidsproblemen arbeidsbeperkingen heeft in aanmerking moet kunnen komen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering, ook wanneer er onduidelijkheid is over de oorzaak van zijn klachten, bijvoorbeeld als gevolg van de beperkte stand van de medische wetenschap en techniek. Voor degenen die gewerkt hebben voordat ze arbeidongeschikt werden moet deze uitkering inkomengerelateerd zijn en blijven. Voor alle arbeidsongeschikten moet de uitkering van een zodanig niveau zijn dat daardoor deelname aan het maatschappelijke leven mogelijk blijft. Er zijn geen financiële redenen om het bestaande stelsel overhoop te gooien en de WAO-uitkeringen aan te pakken. De premies kunnen zonder problemen betaald worden en er zijn ruime financiële buffers. Zoals de commissie Donner zelf aangeeft is er ook geen sprake van een zorgwekkende stijging van het aantal WAO-ers in relatie tot beroepsbevolking die een drastische ingreep nodig zou maken. De Steungroep vindt dat, in plaats van een stelselwijziging volgens de plannen van de commissie Donner, verbeteringen van het huidige stelsel en van de uitvoering daarvan doorgevoerd moeten worden. Die verbeteringen zouden onder andere het volgende in moeten houden: - verbetering van de kwaliteit van de keuringen - voorkomen van vermijdbare arbeidsongeschiktheid - werk maken van aangepast werk. - handhaving/verbetering van de ontslagbescherming bij ziekte - afschaffing van het WAO-gat - verhoging van het maximale uitkeringspercentage - een langere (eventueel flexibele) termijn voor de van overgang loondoorbetaling bij ziekte/ziektewet naar de WAO Groningen, september 2001 Namens de Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid Ynske Jansen, Voorzitter Marja de Groot, Secretaris *Commissie Donner, 'Werk maken van arbeidsongeschiktheid', 30 mei 2001. Op de website van de Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid zijn zeer veel berichten over en commentaren op het rapport van de commissie Donner en ander WAO-nieuws opgenomen: www.leefwijzer.nl/steungroep-me