Minder moe door gedragstherapie ------------------------------- bron: Psy, tijdschrift voor de geestelijke gezondheidszorg datum: 19 april 2001, jaargang 5 Maria van Rooijen redactie@psy.nl Eenderde van de mensen die lijden aan het chronisch vermoeidheidssyndroom CVS, ook wel ME genoemd, heeft baat bij cognitieve gedragstherapie. Dit blijkt uit onderzoek van de multidisciplinaire onderzoeksgroep Chronisch Vermoeidheidssyndroom van het Universitair Medisch Centrum St Radboud in Nijmegen in samenwerking met het UMC Leiden en de Riagg Maastricht. De vraag of het chronisch vermoeidheidssyndroom psychische dan wel lichamelijke oorzaken heeft, is bij het onderzoek naar de effecten van cognitieve gedragstherapie voor CVS-patiënten buiten beschouwing gelaten. Feit is, zeggen onderzoekster Judith Prins en onderzoekscoördinator Gijs Blijenberg van de afdeling medische psychologie van het Radboudziekenhuis, 'dat bepaalde factoren de klachten in stand houden. Die liggen vooral in het denken en handelen van de patiënten.' De speciaal voor CVS-patiënten ontwikkelde cognitieve gedragstherapie richt zich daar op. CVS-patiënten leren hun vermoeidheid te accepteren en zich niet meer bezig te houden met hoe de klachten zijn ontstaan. Stapsgewijs worden ze gestimuleerd meer activiteiten te ondernemen. De therapie bestaat uit zestien sessies, verspreid over acht maanden. Voor het onderzoek, waarvan de resultaten onlangs zijn gepubliceerd in het medisch wetenschappelijk tijdschrift The Lancet, werden 278 CVS-patiënten door loting verdeeld in drie groepen. Een groep kreeg de therapie, de tweede groep maakte gebruik van begeleid lotgenotencontact en de derde werd niet behandeld. Bij patiënten die gedragstherapie kregen nam de vermoeidheid in vergelijking met de twee andere patiëntengroepen vaker af. Het interessante van het onderzoek is volgens Prins dat het aantoont welke patiënten profijt hebben van de therapie. Geen verbetering was er bij patiënten die in een juridische strijd verwikkeld waren voor een ziekteuitkering, zo'n dertig procent. Prins: 'De behandeling richt zich op herstel. Zonder klachten kunnen deze patiënten een dergelijke procedure niet winnen.' Ook patiënten die sterk op hun lichamelijke klachten zijn gefocust en extreem passieve patiënten - een kwart - vertoonden geen vooruitgang. 'Voor die laatste groep hebben we een andere vorm van cognitieve gedragstherapie ontwikkeld', zegt Prins, 'die nu getoetst wordt en waarmee inmiddels gunstige resultaten zijn bereikt.' De therapie werkt bij patiënten die nog enige activiteit aankunnen, of die overactief worden zodra ze zich weer een beetje goed voelen, om daarna weer uitgeput te raken. Driekwart van deze patiënten voelde zich door de therapie minder moe. Of ze ook aan het werk waren gegaan kon niet goed gemeten worden. Prins: 'Sommigen hadden geen werk, anderen werkten op therapeutische basis en een aantal was al jaren afgekeurd voor werk. Je kunt dan niet verwachten dat ze zo snel nieuw werk vinden. Wel constateerden we dat patiënten na cognitieve gedragstherapie meer uren betaald werk hadden dan patiënten in beide andere groepen.' Cognitieve gedragstherapie voor CVS-patiënten is op dit moment slechts beperkt beschikbaar in gespecialiseerde medische centra, waar ze wordt gegeven door ervaren therapeuten. Onderzocht is of de therapie ook elders door minder ervaren therapeuten gegeven kan worden, zodat meer patiënten er profijt van kunnen hebben. Na een korte scholing blijkt dat dat mogelijk is en op termijn, zo verwacht Prins, zullen ook riagg's de therapie kunnen aanbieden. Sinds de resultaten van het onderzoek bekend zijn, hebben veel patiënten zich aangemeld voor de behandeling. Inmiddels is er een wachtlijst. De belangrijkste kritiek op het onderzoek betreft de samenstelling van de patiëntenpopulatie. Pascale de Becker, neurofysiologe aan de Vrije Universiteit Brussel, die onderzoek doet naar de oorzaken van CVS : 'De onderzoekers behalen een positieve score van 75 procent, maar alleen bij relatief goed functionerende patiënten. Het grootste deel van de CVS-patiënten heeft daar niets aan. Bovendien zijn de resultaten zes maanden na afloop van de therapie gemeten. De vraag is hoe de resultaten zijn op langere termijn.' Volgens onderzoek van de Brusselse universiteit wordt de ziekte veroorzaakt door een verstoring van het immuunsysteem. Hierdoor zijn CVS-patiënten uiterst vatbaar voor infecties en die veroorzaken de chronische vermoeidheid. De behandeling bestaat uit een antibioticumkuur, gevolgd door medicatie. Daarnaast is volgens De Becker vaak psychologische ondersteuning nodig. 'Door de ziekte worden patiënten psychisch belast. Ze worden depressief of angstig.' Dode mus Ook Theo Wijlhuizen, internist en bestuurslid van de ME-stichting, vindt dertig procent een vrij gering resultaat. Maar 'het is tenminste iets. Als je van te voren weet welke patiënten er geen baat bij hebben, hoef je ze er ook niet mee te belasten.' Dat de behandeling buiten de medische centra om gegeven kan worden ziet hij als een voordeel, maar die moet wel gegeven worden in samenwerking met revalidatieartsen, internisten en fysiotherapeuten. En dat ziet hij niet zo gauw gebeuren in de riagg's. 'Zij zullen niet zo makkelijk medicinale ondersteuning, medisch begeleide lichaamsbeweging en dieet kunnen bieden.' Volgens de Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid worden CVS-patiënten door dit onderzoek blij gemaakt met een dode mus. 'Bij echt ernstige patiënten helpt de therapie niet. Bovendien nemen alleen de vermoeidheidsverschijnselen af. Genezing is niet bewezen.' De steungroep vreest dat dit onderzoek het vooroordeel bevestigt dat CVS 'psychisch' is, waardoor het moeilijker is een arbeidsongeschiktheidsuitkering te krijgen.