Schrijven van de Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid aan De Voorzitter van de Vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid -------------------------------------------------------------------------- Bron : Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid Datum: 1 maart 1999 Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid Secretariaat: Berlageweg 64 9731 LK Groningen Telefoon : 050 549 29 06 Ynske Jansen Telefoon : 050 541 88 71 Corien Oosterlee Fax : 050 549 29 56 Aan: De Voorzitter van de Vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA Den Haag Betreft: - Algemeen overleg 4 maart 1999 over 'Plan van aanpak WAO' - Algemene Maatregel van bestuur m.b.t. 'Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium" Groningen, 1 maart 1999 Geachte voorzitter, De diskussie zoals die de afgelopen tijd in de media over de WAO is gevoerd heeft ons niet onberoerd gelaten. Helaas werden in deze discussie de arbeidsongeschikten zelf maar zelden aan het woord gelaten. Het gaf ons een machteloos gevoel om steeds maar weer geconfronteerd te worden met als feiten gepresenteerde opinies die vaak volstrekt aan de realiteit voorbij gingen. In diverse media werden bovendien de ME-patienten opgevoerd als zondebok: bij de toekenning van WAO-uitkeringen zouden alle remmen weer los zijn gegaan en de strijd van mensen met ME voor een rechtvaardiger keuringspraktijk zou daaraan bijgedragen hebben. Wij vinden het nodig om op enkele punten te reageren: de kwaliteit van de keuringen, de toetsing van reintegratieinspanningen van werkgevers en de toegezegde AMVB over de 'Richtlijn medisch arbeidsongegchiktheidscriterium'. Wij hopen dat wij bij u gehoor vinden en dat u deze brief zult betrekken bij uw overleg van aanstaande donderdag met staatsecretaris Hoogervorst. 1. Kwaliteit keuringen niet ondergeschikt maken aan bezuinigingsdoelstelling De staatssecretaris wil de kwaliteit van de medische claimbeoordeling verhogen. Wij zouden hier blij mee moeten zijn omdat ook wij steeds hebben aangedrongen op betere keuringen. Toch maken wij ons grote zorgen over de plannen van de staatssecretaris. Gezien het feit dat verbetering van de kwaliteit van de keuringen door de staatssecretaris vooral gezien wordt als middel om het aantal WAO-uitkeringen te verlagen zijn wij bang dat hij met kwaliteit niet hetzelfde bedoelt als wij. Blijkbaar gaat de staatssecretaris er van uit dat er op grote schaal te soepel is gekeurd en dat mensen in de WAO zijn terechtgekomen die niet echt arbeidsongeschikt zijn. Hoewel velen dit elkaar hebben nagepraat hebben wij nergens een deugdelijke onderbouwing van deze stelling gevonden. Uit ervaring weten wij dat, zeker wanneer het gaat om mensen met onverklaarde vermoeidheids- of pijnklachten, vaak het omgekeerde het geval is. In veel gevallen worden hun gezondheidsklachten niet serieus genomen en worden hun beperkingen niet zorgvuldig onderzocht. Dat leidt vaak tot een beoordeling van hun arbeidsongeschiktheid die niet in overeenstemming is met de realiteit. En dat is niet alleen onze indruk, maar wordt bevestigd door een onderzoek van het CTSV [1]. Volgens dit onderzoek bestaat er een complete stroming onder verzekeringsartsen die geen rekening wil houden met klachten waarvoor geen lichamelijke of psychische afwijking als oorzaak is aangetoond. Er wordt in veel gevallen dus juist te streng gekeurd. Naar onze mening is er iets mis met de kwaliteit van de keuringen wanneer mensen arbeidsgeschikt verklaard worden die dat niet zijn. Er moet naar onze mening voor gewaakt worden dat kwaliteitsverbetering een ander woord wordt voor volumebeperking, oftewel bezuinigen op WAO-uitkeringen. 2. Strengere toetsing van reintegratie-inspanningen van werkgevers In de plannen van de staatssecretaris wordt grote nadruk gelegd op de individuele verantwoordelijkheid van arbeidsongeschikten en worden strenge straffen in het vooruitzicht gesteld wanneer zij niet meewerken aan hun reintegratie. Wij zijn van mening dat dit de omgekeerde wereld is. Niet de arbeidsongeschikten, maar de werkgevers beschikken over de mogelijkheden om aangepaste functies aan te bieden. (Gedeeltelijk) arbeidsongeschikte werknemers moeten meestal de grootste moeite doen om bij hun werkgever aangepast werk te krijgen. De uitvoeringsinstellingen zouden zich op moeten stellen als hun bondgenoot. De bestaande mogelijkheden daartoe kunnen veel beter benut worden. In plaats van het voordeel van de twijfel aan de werkgever te geven, zoals nu meestal gebeurt, moeten uitvoeringsinstellingen: - reintegratieplannen veel strenger toetsen dan nu gebeurt. - veel minder snel een positief ontslagadvies na twee jaar arbeidsongeschiktheid geven dan nu gebeurt. 3. De Algemene Maatregel van Bestuur over de 'Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium' [1] A. de Bont, C. Meus en G. Hazelaar, Stoornissen, beperkingen en handicaps in de uitvoering. Over de verschillen in de implementatie, interpretatie en de uitvoering van de richtlijn medisch arbeidonge- schiktheidscriterium, geillustreerd aan de hand van de problematiek bij ME. CTSV, Zoetermeer, juni 1998. Gratis. Te bestellen via telefoonummer 079 329 16 00. Voormalig staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid De Grave heeft uitdrukkelijk gezegd dat een eventueel omzetten van de 'Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium' in een Algemene Maatregel van Bestuur (AMVB) niet beinvloed mag worden door doelstellingen in verband met volumebeheersing. Ook staatssecretaris Hoogervorst heeft geschreven dat het niet de bedoeling is dat de keuringspraktijk door toegezegde AMVB wordt aangescherpt. Toch zijn wij er niet gerust op dat dat niet zal gebeuren. Wij dringen er bij u op aan om erop toe te zien dat de actuele diskussie over terugdringing van het WAO-volume niet van invloed zal zijn op de tijdigheid en inhoud van de toegezegde AMVB. Verder willen wij u erop wijzen dat de richtlijn in de praktijk nog steeds niet door alle uitvoeringsinstellingen wordt nageleefd. Als aktueel voorbeeld stuur ik u hierbij, met instemming van betrokken ME-patient, een commentaar van bezwaarverzekeringsarts P. Tjen van het GAK-kantoor Venlo, gedateerd 25 januari 1999. Heel recent dus. In het kader van het bezwaar van een ME-patient tegen een beslissing om hem geen Ziektewet-uitkering toe te kennen beweert deze bezwaar-verzekeringsarts notabene dat de richtlijn voor hem en vele anderen geen leidraad is en ook geen bindende beleidsregel binnen de uvi's is! (Zie bijlagen 1 en 2). Een recent interview met de medisch adviseurs Croon en Kroneman van het GAK doet vermoeden dat de bewuste bezwaarverzekeringsarts binnen het GAK geen uitzondering vormt (HP/de Tijd, 26-02-99) Het argument van de staatssecretaris om aan de toegezegde AMVB geen terugwerkende kracht te geven is dat de AMVB niet tot doel heeft het beleid te veranderen, maar dat het doel juist is om het vigerend beleid te bevestigen. Dit klinkt logisch. Het vigerend beleid is dan: beoordeling conform 'Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium'. Het probleem is echter dat in de praktijk een heel ander beleid is en wordt gevoerd. Het beleid in de praktijk is (bij een deel van de keuringsartsen): alleen rekening houden met die beperkingen die verklaard kunnen worden door aangetoonde lichamelijke afwijkingen of psychiatrische stoornissen. Dit is in strijd met de richtlijn die in een AMVB gaat worden omgezet. Bezwaar-, beroeps- en hoger beroepsprocedures leiden er meestal niet toe dat dit beleib wordt gecorrigeerd. Onze vraag is: hoe kan dit rechtgezet worden? Hoe kunnen de gedupeerde arbeidsongeschikten de uitkering krijgen waar ze recht op hebben? De politiek heeft vanaf 1994 duidelijk gezegd dat het nooit de bedoeling van de wet is geweest om arbeidsongeschikte mensen met gezondheidsproblemen waarvan de oorzaak nog niet is aangetoond van een WAO-uitkering uit te sluiten. Sinds die tijd zijn en worden, tot en met de dag van vandaag, een groot aantal mensen toch op die grond uitgesloten van een WAO-uitkering. Het is naar onze mening volstrekt onbegrijpelijk en ongeloofwaardig dat de politiek niets doet om dit recht te zetten. Wij verzoeken u dringend om hier een oplossing voor te vinden. Terugwerkende kracht geven aan de toegezegde AMVB zou soelaas kunnen bieden. Maar wij staan ook open voor andere oplossingen, als ze maar werken! Het blijkt in de praktijk een groot verschil te maken of beslissingen van uitvoeringsinstellingen door de rechter wel of niet aan de richtlijn worden getoetst. Onlangs heeft de arrondissementsrechtbank te Den Bosch een uitspraak gedaan waarin de USZO werd verweten dat ze de richtlijn niet had toegepast. Het is de eerste die we kennen en hij pakte voor betrokken ME-patiente positief uit (zie bijlage 3) Volgens de rechtbank geeft de richtlijn invulling aan de eisen van zorgvuldigheid die aan het verzekeringsgeneeskundig onderzoek gesteld kunnen worden. Helaas is de kans groot dat de USZO in hoger beroep zal gaan en dat de Centrale Raad van Beroep de uitspraak van Den Bosch zal vernietigen. Het is dus hoog tijd dat de in november 1998 toegezegde AMVB er komt. Hoogachtend, namens de Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid, Ynske Jansen Bijlagen: --------- 1. Commentaar P. Tjen, Bezwaarverzekeringsarts GAK Venlo op advies behandelend internist 2. Brief Dr. P.F.M.J. Spooren, internist, met advies over werkhervatting/relntegratie 3. Uitspraak arrondissementrechtbank 's Hertogenbosch, 30-12-98, AWB 98/1526 ABP en AWB 98/1528 ABP Bijlage 1 --------- gak nederland bv Kantoor Venlo Postbus 110 5900 AC Venlo Aan: G.Heemels afd: B&B Van : P.Tjen, (bezwaar) verzekeringsarts afd. :B&B 25-01-99 Naam verzekerde : J.F.E. Kees Woonplaats: Budel Registratienummer :424.013.24 Geachte collega, In het beroepsschrift wordt door gemachtigde geappelleerd aan een schrijven van de internist Spooren, waarin deze adviseert om belanghebbende slechts 2 uur per dag te laten werken. De internist baseert dit, zoals hij zelf schrijft, volledig op het verhaal van belanghebbende dat hij (zonder aan te geven waarom) reeel acht. Uit deze brief blijkt dat dus ook de internist zijn conclusies trekt op enkel een subjectieve inschatting van de door belanghebbende aangedragen subjectieve beleving. Het schrijven van de internist zegt dus eigenlijk meer iets over de beoordelaar dan over de beoordeelde. Op zich is daar, vanuit curatief oogpunt, voor het vaststellen van een individueel behandelingsbeleid niets op tegen. Voor het vaststellen van uitkeringsrechten in het kader van wet- en regelgeving (waarbij algemene rechtsgeiljkheids- en rechtszekerheidsbeginselen ook meegewogen moeten worden) is besluitvorming dat gebaseerd is op zulke dubbele subjectieve gronden uit den boze. De eis van objectiveerbaarheid bij het vaststellen van beperkingen is door de C.R.V.B. ook bij herhaling expliciet geformuleerd. Op grond van bovenstaande draagt het nu overgelegde schrijven van internist Spooren niets bij dat tot een andere besluitvorming in het kader van de WAO aanleiding zou moeten geven. De verder door belanghebbende aangehaalde TICA-richtlijn, is een richtlijn welke m.i. in tegenstelling tot de jurisprudentie van de C.R.V.B. geen bindende werking heeft. Binnen de verzekeringsgeneeskundige wereld is deze richtlijn ook nog eens uiterst discutabel omdat deze zich ook weer niet verdraagt met andere richtlijnen (zoals bovengenoemde jurisprudentie en b.v. de standaard: "Geen duurzaam te benutten arbeidsvermogen" van het LISV) en zich feitelijk beperkt tot een enkele "diagnose" of symptomencomplex, dus erg selectief is. De richtlijn is voor mij en vele anderen dan ook zeker geen leidraad en is binnen de uvi's ook geen bindende beleidsregel. Los hiervan kan ovengens, op gsond van de verdere diagnostische specialistische gegevens die aan de besluitvorming ten grondslag hebben gelegen (waaronder de uitgebreide psychiatrische expertise), ook gezegd worden dat de aannemelijkheid van de beperkingen zeker niet eenduidig is. Als zodanig is ook in inhoudelijke zin de (omstreden) TICA-richtlijn m.i. niet van toepassing. Met vriendelijke groeten, P Tjen Bijlage 2 --------- INTERNE GENEESKUNDE Dr. L.G. van Doorn Mw. A.C. Dullemond-Westland Dr. S.H. Goey Twee Steden ziekenhuis Dr. S.J. Graafsma Mw. J. v. Kemenade A.M. Nijs Dr. P.F.M.J. Spooren vestiging : Tilburg doorkiesnummer : (013) 465 56 39 ons kenmerk : srn/ys datum : 15 september 1998 betreft J. Kees 01-09-1966 V Egmondln 3 6021 VN Budel pat.nr. : 6.776.190 De weledelgestrenge heer Mr P.k. Goossens, advocaat Advocaten Willemstraat Postbus 308 5600 AH Eindhoven Geachte collega, Naar aanleiding van uw schrijven d.d. 04.08.1998 en overleg met de heer Kees wil ik u het volgende mededelen. Als diagnose werd gesteld chronisch vermoeidheidssyndroom. Goede behandelingen hiervoor zijn niet echt bekend. Uit gegevens uit het Academisch Ziekenhuis Nijmegen, die voor u navraagbaar zijn, valt af te leiden, dat men daar meent dat geleidelijke uitbreiding van de activiteiten onder begeleiding de enige manier is om geleidelijk aan weer tot arbeid in staat te zijn. Men moet deze arbeid dan geleidelijk aan uitbreiden, waarbij nauwkeurig op mogelijkheden van patient wordt gelet. Wel is men ervan overtuigd dat als men volledig toegeeft aan de vermoeidheid dit uiteindelijk tot nadelige gevolgen voor de werksituatie en het uithoudingsvermogen van patient leidt. Mijns inziens zou het aanbeveling verdienen patient voorlopig op basis van een vijfdaagse werkweek 2 uur per dag te laten werken en dit onder goede begeleiding proberen uit te breiden. Dit zou men in het kader van therapeutische werkovereenkomst kunnen regelen. Indien men vroegtijdig zal proberen patient een volledige arbeidsweek te laten draaien, dan is de kans vrijwel 100% dat hij opnieuw zal uitvallen met toegenomen klachten. Bovendien zal het dan steeds moeilijker zijn hem opnieuw weer te laten werken. Uit bovenstaande gegevens kunt u dus afleiden dat ik er van uitga dat men met zeer korte werkperioden start. Het is uitermate moeilijk om aan te geven hoeveel men geleidelijk kan uitbreiden. Daar ik zelf deze patient niet begeleid kan ik hier ook in de toekomst geen absolute uitspraken over doen. Tot slot stelde u twee vragen namelijk of ik de beperkingen van client objectiveerbaar acht en of ik de klachten reeel acht. Ik wil hierbij opmerken dat beperkingen van client moeilijk objectiveerbaar zijn. Het probleem met het chronisch moeheidssyndroom is dat geen objectiveerbare klinisch meetbare criteria zijn aan te leggen. Subjectief valt altijd wel op dat dergelijke patienten een relatief moe uiterlijk vertonen. Hieruit volgt meteen dat het reeel zijn van de klachten uiteindelijk alleen kan worden afgeleid uit de anamnestische gegevens bij patient. Gezien het feit dat ik meen de diagnose chronisch vermoeidheidssyndroom te moeten stellen, kunt u afleiden dat ik dergelijke klachten reeel acht. Ik hoop u zo voldoende te hebben ingelicht. Mocht u echter nog meer vragen hebben, schroom u dan niet kontakt met mij op te nemen. Met vriendelijke groeten, Mr. P.P.M.J. Spooren - internist Verzendlijst: Mr P.A. Goossens, advocaat Eindhoven Bijlage 3 --------- Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken Uitspraak --------- AWB 98/1526 ABP AWB 98/1528 ABP Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de geschillen tussen mevrouw A.C. Steenhuis, wonende te Veghhel, eiseres, gemachtigde mr. J.Th. de Wit, en het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen te Amsterdam, verweerder, in dezen vertegenwoordigd door Stichting Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor Overheid en Onderwijs, gemachtigde mr. P.H.H.J. Krijnen. I. PROCESVERLOOP ---------------- Eiseres was ten tijde hier van belang werkzaam als lerares aan een basisschool. Op 8 februari 1994 heeft eiseres deze werkzaamheden moeten staken wegens buikklachten; nadien zijn daar vermoeidheidsklachten bijgekomen. Verweerders rechtsvoorganger heeft eiseres met ingang van 1 januari 1996 in aanmerking gebracht voor uitkering conform de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), de zogeheten WAO-conforme uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65:tot 80%. Bij besluit van 28 juni 1996 heeft verweerders rechtsvoorganger vervolgens de WAO-conforme uitkering van eiseres met ingang van 1 augustus 1996 ingetrokken. Bij besluit van 16 september 1996 heeft verweerders rechtsvoorganger de WAO-conforme uitkering van eiseres met ingang van 1 januari 1996 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Eiseres heeft tegen deze besluiten op 7 augustus 1996 respectievelijk 25 oktober 1996 bezwaar gemaakt. Bij besluiten van 12 januari 1998 zijn de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Op de daartoe in het beroepschrift uiteengezette gronden heeft eiseres tegen beide besluiten beroep ingesteld. Het beroep inzake de ongegrondverklaring van de bezwaren tegen het besluit van 28 juni 1996 is bij de rechtbank ingeschreven onder nummer AWB 98/1528; het andere beroep is ingeschreven onder nummer AWB 98/1526. Eiseres heeft gevorderd beide besluiten van 12 januari 1998 te vernietigen, verweerder te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding en ten laste van verweerder een proceskostenveroordeling uit te spreken. Verweerder heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend. De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 19 november 1998, waar eiseres is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. G.J.A. van Dijk, kantoorgenoot van haar gemachtigde, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. II. OVERWEGINGEN ---------------- A. met betrekking tot AWB 98/1526 --------------------------------- Verweerders gemachtigde heeft ter zitting medegedeeld dat het besluit van 16 september 1996 strijdt met het rechtszekerheidsbeginsel en om die reden niet gehandhaafd wordt. Dat betekent dat ook de ongegrondverklaring van de bezwaren tegen dat besIuit niet in stand kan blijven. Het beroep zal dan ook gegrond worden verklaard. B. met betrekking tot AWB 98/1528 --------------------------------- In dit geding is de vraag aan de orde of het besluit van 12 januari 1998, strekkende tot ongegrondverklaring van de bezwaren tegen de intrekking van de WAO-conforme uitkering van eiseres met ingang van 1 augustus 1996, in rechte kan standhouden. De rechtbank is bij haar oordeelsvorming uitgegaan van de navolgende feiten en omstandigheden. Eiseres heeft ingaande 8 februari 1994 haar werkzaamheden als leerkracht aan een basisschool moeten staken wegens buikklachten. Deze klachten zijn verdwenen; eiseres bleef wel als restverschijnsel last houden van vermoeidheid. Eiseres heeft na enige tijd haar werkzaamheden gedeeltelijk hervat. Ingaande 1 januari 1996 is aan haar een WAO-conforme uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%, toegekend. Daaraan lag het standpunt ten grondslag dat eiseres in staat was gedurende 3 x 4 uur per week haar eigen werk te verrichten. In het kader van de zogeheten 1e jaars herbeoordeling heeft eiseres op 10 april 1996 het spreekuur van de verzekeringsgeneeskundige C. Rossou bezocht. Deze heeft geen lichamelijk, maar wel een orienterend psychiatrisch onderzoek verricht. Een belastbaarheidspatroon is niet vastgesteld. De verzekeringsgeneeskundige heeft in zijn rapport aangegeven dat eiseres sedert ruim twee jaar klachten heeft van extreme vermoeidheid, waarvoor geen duidelijke medische verklaring is gevonden. Eiseres zou, zo blijkt eveneens uit het rapport, opnieuw internistisch worden onderzocht; de verwachting was dat hier niets nieuws uit zou komen. De verzekeringsgeneeskundige heeft zijn rapport afgesloten met de opmerking dat, aangezien er geen oorzaak voor de chronische moeheid kan worden gevonden, "sprake is van een slecht begrepen toestandsbeeld wat leidt tot beperkingen. Er is echter geen sprake van ziekten en of gebreken die deze beperkingen kunnen verklaren.". Tegen het besluit tot intrekking van de WAO-conforme uitkering heeft eiseres bezwaar gemaakt. Eiseres heeft vervolgens een door de psychiater-neuroloog S. Pruyt omtrent haar gezondheidstoestand opgesteld rapport overgelegd. Nadien heeft eiseres nog de resultaten van hee arbeidsexploratief onderzoek d.d. 10 oktober 1996 toegezonden. Op 29 september 1997 heeft eiseres haar bezwaren tegen het besluit van 16 september 1996 aangevuld. Zij heeft bij die gelegenheid onder meer gewezen op de brieven d.dis 3 mei 1996 en 8 september 1997 van de internist Wollersheim en de klinisch psycholoog Assman en daarnaast aandacht gevraagd voor de op 19 september 1996 door het Tijdelijk Instituut Coordinatie en Afstemming uitgegeven richtlijn "Medisch arbeidsongeschiktheidscritenum" (hierna: de richtlijn). Nadat de bezwaarschriften verzekeringsarts had aangegeven dat er bij eiseres geen sprake is van objectieve arbeidsbelemmeringen op grond van objectiveerbare ziekten en gebreken, zijn eiseresses bezwaren tegen de intrekking van de WAO-conforme uitkering ongegrond verklaard. Eiseres heeft zich ook in beroep op het standpunt gesteld dat ten onrechte geen toepassing is gegeven aan de richtlijn. Gewezen is opnieuw op de brief d.d. 11 maart 1997 van USZO aan de Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid waarin USZO heeft verklaard de richtlijn te volgen. Naar het oordeel van eiseres heeft het in de richtlijn voorgeschreven zorgvuldige onderzoek niet plaatsgevonden. Eiseres heeft een neuropsychoIogisch rapport d.d. 24 april 1998 overgelegd. Verweerder heeft aangegeven dat wel een deugdelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. De rechtbank overweegt het volgende. Onder arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken in de zin van de WAO dient te worden verstaan het op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet kunnen of mogen verrichten van de in aanmerking komende arbeid, resulterend in een relevant inkomensverlies ten opzichte van het inkomen van de zogeheten maatman of maatvrouw. Hieruit volgt dat bij de beantwoording van de vraag of iemand arbeidsongeschikt is twee factoren van belang zijn, te weten: - of de betrokkene medische beperkingen heeft; - of en in hoeverre hij als gevolg daarvan geheel of gedeeltelijk buiten staat is zich met daarvoor in aanmerking komende arbeid een inkomen te verwerven. In de richtlijn wordt het sedert 1 augustus 1993 geldende medisch arbeidsongescbiktheidscriterium - de ongeschiktheid in de zin van de AAW en de WAO dient een rechtstreeks en medisch objectief vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek te zijn - geinterpreteerd. De richtlijn beoogt uitgangspunten voor een verzekeringsgeneeskundige beoordeling te formuleren. Daartoe is onder meer aangegeven dat vereist is dat een consistent geheel van stoornissen, beperkingen en handicaps wordt vastgesteld. Een diagnose op zichzelf verschaft nooit recht op uitkering, terwijl de omstandigheid dat geen lichamelijke of psychische oorzaken gemeten of aangetoond worden, niet betekent dat er geen stoornissen, beperkingen of handicaps bestaan. In dat geval is van belang of hun bestaan aannemelijk is te achten en in hoeverre daarmee ongeschiktheid als gevolg van ziekte optreedt. De status van de richtlijn is ingaande 1 maart 1997 veranderd. Sedertdien is het een dwingend voorschrift van verweerder aan de uitvoeringsinstellingen. De omstandigheid dat de richtlijn eerst ingaande 1 januari 1998 voor USZO een dwingend voorschrift is geworden - sedert die datum is verweerder rechtsopvolger van het FAOP - betekent niet dat deze tot die datum geen betekenis had. Dienaangaande wijst de rechtbank op de brief d.d. 11 maart 1997, waarin USZO aan de Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid kenbaar heeft gemaakt de richtlijn te volgen. De rechtbank stelt voorop dat zij de richtlijn ook van toepassing acht in de onderhavige situatie, waarin het primaire besluit dateert van voor de datum van de richtlijn en de beslissing op bezwaar van na 11 maart 1997. Artikel 7:11 van de Awb vereist immers een heroverweging van het bestreden besluit. Dat betekent dat ook feiten en omstandigheden van na de datum van het bestreden besluit bij die heroverweging meegenomen behoren te worden. De rechtbank is voorts van oordeel dat de strekking van de richtlijn geen andere is dan dat de verzekeringsgeneeskundige een zorgvuldig onderzoek dient te verrichten. In zoverre kan worden gezegd dat de richtlgn een nadere uitwerking van het in artikel 3:2 van de Awb neergelegde uitgangspunt van een zorgvuidige voorbereiding vormt. Voor wat betreft het onderhavige verzekeringsgeneeskundig onderzoek moet worden vastgesteld dat geen onderzoek heeft plaatsgevonden naar stoornissen, beperkingen en handicaps. Niet wordt miskend dat de richtlijn ten tijde van het verzekeringsgeneeskundige onderzoek nog niet op schrift was gesteld, maar daarmee is niet gezegd dat dit onderzoek niet had behoren plaats te vinden. Ook her in artikel 3:2 van de Awb neergelegde zorgvuldigheids- beginsel vereist dat de klachten serieus worden genomen en dat wordt bezien of deze tot beperkingen leiden en zo ja, welke beperkingen van toepassmg zijn. De verzekeringsgeneeskundige heeft in zijn rapport wel vermeld dat beperkingen aanwezig zijn, maar heeft verzuimd deze te benoemen. Aan het vorenstaande zij toegevoegd dat zich ten tijde van de verzekerings- geneeskundige beoordeling weliswaar informatie van de behandelend sector in het dossier bevond, maar dat deze bijna een jaar oud was en eiseres opnieuw internistisch zou worden onderzocht. Naar het oordeel van de rechtbank had de verzekeringsgeneeskundige de resultaten van het nadere onderzoek bij zijn definitieve rappart behoren te betrekken. De gebrekkige voorbereiding van het primaire besluit is naar het oordeel van de rechtbank in de bezwaarfase niet geheeld. Noch de inmiddels van toepassing zijnde richtlijn, noch de door eiseres in die fase overgelegde medisch-specialistische informatie heeft ertoe geleid dat de bezwaarschriften verzekeringsarts eiseres aan een nader medisch onderzoek heeft onderworpen om de kennelijk wel aanwezige beperkingen vasr te stellen. Volstaan is met de opmerking dat geen sprake is van objectieve arbeidsbelemmeringen op grond van objectiveerbare ziekten of gebreken. Gelet op de inhoud van de richtlijn moet worden gezegd dat dat een bepaald onvoldoende zorgvuldige en adequate beoordeling van eiseresses situatie was. Het hiervoor overwogene heeft de rechtbank tot het oordeel gebracht dat het in geding zijnde besluit niet in stand kan blijven wegens strijd met het in artikel 3:2 van de Awb neergelegde vereiste dat een besluit zorgvuldig dient te worden voorbereid, waaruit voortvloeit dat het besluit niet draagkrachtig is gemotiveerd. Het beroep zal gegrond worden verklaard. Het door eiseres gedane verzoek haar schadevergoeding toe te kennen kan thans niet worden toegewezen. Daartoe zij opgemerkt dat niet vaststaat tot welke beslissing een zorgvuldige heroverweging zal leiden. Het komt de rechtbank geraden voor dat verweerder bij het nemen van een nieuwe beslissing beziet of aanleiding bestaat schadevergoeding toe te kennen. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal f 1.420,- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbstand: * 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift; * 1 punt voor het verschijnen ter zitting; * waarde per punt f 710,-; * wegingsfactor 1 (minder dan 4 samenhangende zaken) Tevens zal de rechtbank bepalen dat door het Landelijk instituut sociale verzekeringen aan eiseres de door haar gestorte griffierechten dienen te worden vergoed. Mitsdien wordt beslist als volgt. III. BESLISSING --------------- De rechtbank, - verklaart de beroepen gegrond; - vernietigtde bestredenbesluiten; - bepaalt dat verweerder een nieuw besluit met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene; - gelast het Landelijk instituut sociale verzekeringen aan eiseres te vergoeden de door haar gestorte griffierechten; - veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten vastgesteld op f 1.420,-, te vergoeden door het Landelijk instituut sociale verzekeringen. Aldus gedaan door mrs. A.B.M. Hent, T.W.J. de Ruiter-Phaff en J.W. Brunt als rechters in tegenwoordigheid van mr. M.H. Hoogendam als griffier en uitgesproken in het openbaar d.d. 30 DEC 1998 (Handtekeningen rechters) Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Afschrift verzonden: 13 JAN 1999